• Stijn Engelen

Ode aan de Cantus

Veel mensen hebben een verkeerd beeld van de biercantus:

hordes studenten die in een kort tijdsbestek grote hoeveelheden bier drinken,

enkel en alleen om zo snel mogelijk ordinair dronken te worden.

Een avond waar liederen worden gezongen die al 1000x eerder gezongen zijn,

waar je wordt gestraft als je het derde couplet van Piano Man niet kent,

onder leiding van zo’n gladjanus die zichzelf praeses noemt en in het Latijn commando’s uit zijn strot duwt waar het plebs zich bij neer moet leggen.


Maar ik ga u vertellen wat een biercantus voor mij (ooit zo’n gladjanus) betekent:

de biercantus is hét hoogtepunt van het jaar waar met smacht naar uitgekeken wordt door elke student (maar vooral door de mannen van de landbouwhogeschool en de vrouwen van het confectieatelier).

Het is een avond van verbroedering en eensgezindheid, waar de zin ‘ik kan niet zingen’ niet bestaat, elke student bereid is om ‘alcoholisch all-in’ te gaan en zelfs die verlegen schuchtere jongen, die zojuist een ‘adje schoen’ met knoflooksaus heeft voltooid, zich eventjes ‘the king of the world’ kan voelen.

Een drankfestijn waar de opeenvolging Guus Meeuwis, Robbie Williams en The Dubliners volstrekt logisch is en er geen sprake is van ‘zingen’, maar van ‘decibels knallen’.

Elke ‘Ad Fundum’ die mijn oren binnenvliegt voelt als een moment van oneindige extase, waarna ik met volle overtuiging het vloeibare goud mijn slokdarm ingiet.

Het is de ultieme test voor de blaas, waar tijdens de plaspauze het gevoel van de eerste druppel vocht die de urinebuis verlaat overeenkomt met een lang uitgesteld orgasme.


En terwijl ik voor de zoveelste keer arm in arm Angels sta te blèren, vraag ik mezelf af: zal ik ooit afstand nemen van deze aloude studententraditie? Zal ik ooit genoeg krijgen van de biercantus? Daar heb ik maar één antwoord op. No, nay, never.