• Stijn Engelen

Klimmen tussen perfectionisten

Ik heb met een vriendin (Lara) afgesproken bij Radium in Maastricht om te gaan boulderen. Voor de onwetenden onder jullie: boulderen is het klimmen van korte routes (boulders) op klimwanden van maximaal 4,5 meter hoog. Je doet dit op eigen kracht dus zonder dat je ergens aan vastzit.


Niemand om ons heen op deze doordeweekse dag. We stappen de hipster industriële hal binnen en beginnen wat routes af te werken. Boulderen is als een puzzel. Welke greep pak ik? Linkervoet? Toch de rechtervoet? Of misschien ondersteboven? Veel inzicht met een beetje kracht. Vooral in de vingerkootjes. Maar dan stagneren we op een route waar de gemiddelde boulderaar zijn of haar warming-up zou doen. ‘’Ik zie het niet’’, zegt Lara. Ik ook niet.


Achter ons stapt een lange tengere gozer de hal binnen, afgeraffelde spijkerbroek met een vaal zalmroze shirt. ‘’Dit is ’n echte boulderboy’’, denk ik meteen. Hij heeft zelfs zijn zoontje meegenomen. Nadat hij het kereltje op een bankje heeft gezet begint hij onmiddellijk met een witte route, de lastigste route in de hal. We doen een stapje achteruit en beginnen te observeren.


Hij begint. Elke stap gaat met uiterste precisie. Linkervoet lichtjes tegen de muur, wijsvinger toch 2 cm naar rechts, torso vlak tegen de muur, niet gehaast maar met een vloeiend ritme. Zo zou het woord ‘perfectionisme’ visueel worden uitgebeeld. Alsof de klimwand de muur van de Sixtijnse kapel is en boulderboy de kwast van Michelangelo die zich met elegantie en zwierigheid over het oppervlak verplaatst. Op de laatste lastige passage komt er nog een ‘’Oooohhhh’’ op licht klaarkomende wijze uit onze mond, waarna boulderboy landt op de mat. We klappen, hij buigt. Het lijkt zo simpel; op de juiste punten de juiste kracht uitoefenen, terwijl je je lichaam perfect positioneert, spelen met de wetten der natuurkunde. Wat zou Isaac Newton een geniale boulderaar zijn.


‘’Zou je ons misschien kunnen laten zien hoe deze moet?’’, vraagt Lara. ‘’Ja hoor, deze is eigenlijk heel simpel.’’ Boulderboy klimt opnieuw met kinderlijk gemak naar boven en geeft ons letterlijk en figuurlijk de juiste handvaten. ‘’Laat maar zien kerel’’, zegt hij tegen mij. Alsof ik na de perfecte kuur van Anky van Grunsven nog een rondje mag rijden op een Shetland pony. Met zwetende handjes en trillende benen begin ik aan een opgave die gedoemd is te mislukken. Waar boulderboy sierlijk en elegant klimt, lijk ik meer op een onhandige tiener midden in zijn groeispurt. En ik forceer, op brute kracht, zwoegend en kuchend, worstel ik me van greep naar greep. Ik val. ‘’Nog een keer proberen’’, roept boulderboy voordat ik op adem kan komen. Opnieuw ga ik het gevecht aan met Goliath, maar op hetzelfde punt stagneer ik. ‘’Wat een kutgreep!’’ Ik heb geen puf meer, de koek is op. Ik doe wat elk weldenkend mens zou doen in zo’n situatie; ik fake een blessure, een boulderschwalbe. ‘’Aaahh, mijn kootje!’’ roep ik, terwijl mijn lichaam te gronde gaat. Verloren, finito, DNF.


Een zwarte pagina uit mijn bouldercarrière. Ga ik ooit het niveau van boulderboy bereiken? Met dezelfde zwier naar boven klimmen op een witte route, terwijl fans toekijken hoe mijn prachtige kontje zich naar boven voortbeweegt? Of blijf ik hangen? Hangen op die kutgreep? Nooit dat niveau van perfectionisme bereiken?


Ik kan maar één ding doen.


Zoals boulderboy zou zeggen:


‘’Nog een keer proberen.’’