• Stijn Engelen

"Janssen en ik vs. corona''

Vrijdag, 17:00. De telefoon gaat. Mijn baas uit het ziekenhuis. ''Oh jee, ik dacht dat het weekend kon beginnen.......'' Ik neem op en begin vol spanning te luisteren. Met een opgewekte stem begint ze te vertellen: ''Stijn, je kunt langskomen voor een corona-vaccin! En ook nog eens het Janssen vaccin, dat betekent maar één prik!'' Zonder aarzeling trek ik mijn schoenen aan, terwijl ik met een half oor aan de telefoon hang. Ik ben niet zo kieskeurig wat betreft het soort vaccin, maar toch doet de naam ''Janssen'' wat met me, de prik uit eigen land, de Nederlandse corona-ridder. Ik ren de trap af en spring op mijn fiets. Verstand op nul, en stampen op die trappers. Met een verpletterende gemiddelde snelheid, waar zelfs Tom Dumoulin van beduusd zou zijn, kom ik aan bij het MUMC+. Ik loop tegen een klapdeur op en struikel twee keer op de trap, terwijl twee verpleegsters me royaal uitlachen. Maakt niet uit, ik moet en zal die prik krijgen! Nog even een gezondheidsverklaring invullen. Vluchtig kijk ik het hele formulier door, terwijl mijn pen de juiste stroken voltooid. Ook bij het invullen van mijn verklaring behaal ik een record tijd. Dan sluit ik aan in de rij. Ik voel de adrenaline door al die mensen om me heen gieren. Het voelt alsof ik voor het laatste hekje van de Python sta, nog eventjes en dan gaat het gebeuren. En dan komt mijn vaccin-prikker, mijn reddende engel. Susan, lees ik op haar naamkaartje. Ik ga mijn dochter Susan noemen. Ik loop achter haar aan en stap de witte tent binnen. Ze neemt nog wat dingetjes met me door en op elke vraag die ze stelt antwoord ik gestaag: ''Ach, ram 'm d'r in joh!'' Dan pakt Susan de prik op, legt aan en knalt 'm in mijn bovenarm. Het vectorvaccin is nu officieel mijn lichaam binnen getreden. Het is gedaan, zij hebben hun werk gedaan, nu is het aan mij. Mijn lichaam en ik. Vol blijdschap loop ik terug naar mijn fiets. Om de vijf minuten knal ik mijn vuist bemoedigend op mijn borstkas en roep ik: ''Kom aan, we gaan dit doen! Jij en ik tegen corona!'' Ik loop naar buiten, op de klapdeur zie ik nog de afdruk van mijn neus staan, 'a necessary sacrifice' houd ik mezelf voor. Het weekend kan beginnen, en toch spookt het risico van het vaccin nog eventjes door mijn hoofd.

''Nu maar hopen dat ik niet die éne op de 100.000 ben. En ach, áls ik het ben, is een ander het niet.''