• Stijn Engelen

De Col du Glandon

En dan begint mijn eigen duel, Stijn ''Puncher'' Engelen tegen Bob ''Kannibaal'' van Kasteren. Vandaag fietsen we samen de Col du Glandon op vanuit Saint-Etienne-Cuines, 19.8 km aan 7.3% gemiddeld. De col die Luuk en ik net zijn afgedaald. We fietsen al twee jaar samen en hebben een simpele formule opgesteld in het hooggebergte. Voor elke kilometer klimmen loopt Bob één minuut op mij uit. 1 minuut per kilometer dus. Aangezien hij nog naar de auto moet om zich klaar te maken begin ik met een voorsprong. Ongeveer twintig minuten. Theoretisch gezien zou ik nét voor Bob moeten finishen op de top van de Glandon. Jammer genoeg is wielrennen veel meer dan simpele wiskunde, ik zal moeten lijden om Bob vandaag te verslaan.


Kilometer 0-10. Tien kilometer lang blijft de weg 7% oplopen. Doodsaai. Terwijl ik een strak tempo houd bereid ik me mentaal voor op wat gaat komen. Als Bob me 400m vóór de top nog niet heeft ingehaald ga ik als eerste over de finish. Het maakt niet uit hoe zwaar ik het heb, een laatste punch zit er altijd nog in. Dat kan ik als de beste. Ik merk dat ik af en toe stiekem omkijk. Ik weet 100% zeker dat ik hem nog niet zal kunnen zien, en toch kijk ik om, bang voor het monster dat gaat komen. Er is niemand om me heen. Geen auto's, geen locals, zelfs geen andere fietsers. Volledige stilte. ''Stilte is een vriend die je nooit verraadt'', hoor ik Ruben zeggen. En toch zit ik vol met adrenaline. Bob ook, dat weet ik zeker.


Kilometer 10-12. Ik kom aan in Saint-Colomban-des-Villards, het enige dorpje op de flanken van de Glandon. Hier vlakt de klim eventjes flink af. De meeste wielrenners nemen hier de tijd om goed te eten en te drinken, herstellen zo ver dat mogelijk is. Ik niet. Ik zit midden in koers. Op het grote blad sjees ik door de straten en imponeer ik de mensen die op het terras zitten toe te kijken met een ijskoude cola in hun hand. Eventjes zullen ze me bewonderen, totdat Bob over een paar minuten voorbij rijdt. Dan zijn ze vergeten wie ik ben. Al snel zie ik in de verte de weg weer steil omhoog lopen. We mogen weer.


Kilometer 12-15. De serieuze percentages beginnen. Ik herken de plek waar eerder deze dag een man ten val was gekomen. Geen bloedsporen op de weg. Kort gaan mijn gedachten naar hem toe, maar al snel focus ik me weer op de koers. Ik pak mijn laatste peperkoek en neem wat slokken uit mijn bidon, een tevergeefse poging om wat extra kracht te krijgen. Ik kijk naar onder. Daar hangen mijn armen, tussen mijn schouders en polsen. De volle zon schijnt op mijn gebruinde en behaarde onderarmen die glanzen van het zweet. Hier kan ik uren naar kijken. Zelfs de benen van Doutzen Kroes zijn er niks bij.


Kilometer 15-17. Ik begin af te zien. Steil, steil en nog eens steil. Nergens kan ik de druk van mijn benen halen. Ik ben continu bergop aan het harken. Ik begin weer achterom te kijken. Nog steeds geen Bob te zien. Zou het vandaag dan eindelijk zover zijn? Met nog 3 kilometer te gaan zie ik een bordje langs de weg staan, 1617 meter hoogte. Ik weet dat de top van de Glandon op 1924 meter hoogte ligt. Ik moet nog meer dan 300 hoogtemeters winnen over 3 kilometer. Iets meer dan 10% gemiddeld dus. De finale is begonnen.


Kilometer 17-20. Jaren geleden heb ik de Glandon al eens gefietst met mijn vader. Ik was toen erg onder de indruk van deze col, en nu weet ik weer waarom. In de laatste kilometers fiets ik van haarspeld naar haarspeld, terwijl ik terugkijk op de vallei waar de col begint. Een prachtig uitzicht. Maar dit is niet waarom ik die berg beklim. Ik klim om te winnen. Bob te verslaan op zijn eigen terrein, het hooggebergte. Het liefst nog glorieus ook zoals ik vorig jaar Luuk erop legde op de Valparolapas.

Fysiek zit ik volledig op de limiet, maar toch houd ik mijn tempo aan. Als wielrenner moet je koppig zijn. En dan hoor ik opeens een gil achter me. Het is Bob. Ik heb de hele klim niks van hem kunnen opmerken, maar daar is hij opeens. Voordat überhaupt de gedachte bij mij op kan komen om in zijn wiel te gaan rijden, knalt hij, staand op de pedalen, al verwoestend over me heen. Dat hij me inhaalt, vooruit, maar dat hij het met zo'n onnodig machtsvertoon doet, is ronduit disrespectvol. Zo ga je niet om met je knechten. Zeker niet na al dat werk dat ik gisteren voor hem gedaan heb. Een versnelling van mijn kant zit er niet meer in. Mijn kans op de overwinning is gevlogen. Ik weet nu al hoe de gesprekken zullen gaan.

''Waarom moest je lossen?''

''Het ging niet meer.''

''Kon je niet nog één trap extra geven?''

''Ja God, één trap nog wel.''

''Waarom deed je dat dan niet?''

''Het ging niet meer.''

Met mijn laatste krachten fiets ik door tot de top. Ietsje verderop rijdt Bob een paar oudjes voorbij. Hun ogen blijven hangen op het machtsvertoon van de jonge Limburger, de bewondering is af te lezen van die gerimpelde gezichten, alsof ze Eddy Merckx voor het eerst zien fietsen op de flanken van de Glandon. Één minuut later dan Bob kom ik aan op de top van de Glandon. Één minuut! Ik feliciteer hem en geniet van het uitzicht. Achja, nu sta ik tenminste op de foto.